Dragend Zorgen op het GGZ-congres
Twee dagen lang was Dragend Zorgen aanwezig op het Vlaams Geestelijke Gezondheidscongres 'Van machteloosheid naar kansen – vertrouwen in onzekere tijden'.
Aan onze stand bleven mensen staan, ontstonden gesprekken en vertrokken heel wat handgemaakte draagtassen naar nieuwe plekken. In iedere tas reisden onze visietekst, het pamflet, kaartjes, stickers en andere sporen van de beweging mee. Niet om één antwoord te verspreiden, maar om een vraag verder te dragen:
Hoe ver draag je me?
Diezelfde vraag dook gedurende het congres in heel verschillende vormen op.
In verschillende symposia werd gesproken over wat er verloren dreigt te gaan wanneer efficiëntie steeds sterker bepaalt hoe we onderwijs en zorg organiseren.
Over een onderwijs dat steeds meer op een leerfabriek gaat lijken, waarin de vrije tijd om de wereld te ontdekken kleiner wordt en plaatsmaakt voor leerdoelen, competenties en te behalen resultaten. Jongeren leren al vroeg dat er doelen zijn waaraan ze moeten voldoen, om vervolgens tijdens stages geconfronteerd te worden met een ‘zachte sector’ waarin machteloosheid onvermijdelijk is. Omgaan met die machteloosheid wordt dan steeds vaker een verhaal van afgrenzen en begrenzen, om niet te veel geraakt of overspoeld te worden.
Er werd gesproken over langdurige zorg voor mensen wier leven verbrokkeld is geraakt, voor wie taal soms nauwelijks beschikbaar is. Over letterlijk samen op weg gaan naar plaatsen die soms al dertig jaar niet meer bestaan. Over de machteloosheid van de ander, van jezelf en van een team voldoende lang verdragen om tijd te geven aan iets wat misschien opnieuw opgebouwd kan worden. Met daarbij het beeld van de kolibrie: een vogel die ontzettend hard met zijn vleugels slaat om soms gewoon op dezelfde plek te kunnen blijven hangen.
Over een dag op de Wadi, opgebouwd uit kleine ontmoetingen en momenten waarop bewoners en medewerkers iets voor elkaar kunnen betekenen. Momenten waarop iemand iets kan opnemen voor een ander, iemand kan zijn. Altijd voorlopig en kwetsbaar, want crisis en symptomen zijn nooit ver weg.
Er werd gesproken over het belang van samenwerken om voor iemand te kunnen blijven zorgen. En over wat er kan meeklinken in de vraag: “Is dat wel iemand voor hier?” Misschien zegt die vraag niet alleen iets over degene die zich aanmeldt, maar signaleert ze ook iets van onze eigen confrontatie met wat we niet kunnen oplossen.
Er werd gesproken over onthaal en over het verschil tussen onthalen en opnemen. Over continuïteit: iemand die mee de overgang maakt van een kliniek naar een woonplek en ook daarna blijft komen, zodat de band niet zomaar wordt doorgeknipt. En over hoe rollen daardoor kunnen verschuiven. Degene die ooit door een team onthaald werd, kan later zelf degene zijn die een medewerker op zijn nieuwe plek ontvangt, vraagt hoe het gaat en koffie aanbiedt.
Ook het onthaal van familie kan verschuiven. Niet noodzakelijk in het formele en soms beladen kader van een familiegesprek, maar bijvoorbeeld tijdens een wensfeest rond de feestdagen. Net in een periode die voor veel mensen moeilijk is omdat familie ontbreekt of relaties complex zijn, kan een plek ontstaan waar familie en vrienden kunnen langskomen, iets drinken en feestwensen uitwisselen zonder dat daar meteen de verwachtingen van een klassiek familiefeest op rusten.
Er werd gedanst en gesproken over spel en transitionele ruimte. Spelen laat zich niet afdwingen. Je kunt wel omstandigheden creëren waarin iemand kan kiezen om mee te doen, te kijken, op afstand te blijven of misschien enkel even mee te klappen. Zo kunnen tijdelijke vormen van samenzijn ontstaan die mensen even in het hier en nu brengen. Maar ook daarvoor zijn vrije circulatie, vrije deelname en tijd nodig — en een dragend kader waarin niet vooraf wordt vastgelegd welk doel ermee bereikt moet worden.
Er werd gesproken over verzet in het alledaagse. Over tijd hebben en tijd nemen om met iemand die verloren lijkt in haar hallucinaties nieuw gekocht ondergoed uit te laden. Over samen prutsen. Over wachten op iemand die misschien niet meer terugkomt — en die uiteindelijk toch verschijnt met een tas koffie en zegt: “Let op, het is warm.” Over ruimte voor de groep-subject, over transkolonialisme en over vormen van verzet die niet noodzakelijk luid zijn, maar zich afspelen in de kleinste dagelijkse handelingen.
Er werd ook gesproken over de confrontatie met het onoplosbare. Niet iedere klacht verdwijnt. Niet ieder traject gaat vooruit. Niet iedere afhankelijkheid wordt autonomie. Misschien loopt de beweging daarom niet rechtstreeks van machteloosheid naar kansen. Misschien ligt er iets tussen: machteloosheid ver-dragen. Erbij blijven zonder haar onmiddellijk om te zetten in een nieuw doel, een nieuwe categorie of een nieuwe beveiliging. Niet omdat we verandering opgeven, maar omdat we weigeren verandering als voorwaarde voor zorg te stellen.
Ook buiten deze symposia herkenden we onze vragen. Stijn Vanheule verwees in zijn lezing over de toekomst van de psychosezorg naar Dragend Zorgen als een bottom-upbeweging die pleit om mensen te blijven dragen. In een bijdrage van Hart boven Hard over zorg met en in de gemeenschap kwamen opnieuw vragen naar gemeenschap, solidariteit en gedeelde verantwoordelijkheid naar voren.
Het congres eindigde met een debat tussen minister Frank Vandenbroucke en filosoof en econoom Toon Vandevelde. Vandevelde bracht meermaals de mensen met ernstige en langdurige psychiatrische problemen ter sprake, terwijl Vandenbroucke wees op de investeringen in onder meer eerstelijnspsychologische zorg, netwerken, acute psychiatrie en mobiele teams.
In hun gesprek over agency, solidariteit en wederkerigheid bleef voor ons één vraag scherp staan: wat met mensen bij wie agency niet zomaar hersteld kan worden? Wat met wie niet aantoonbaar vooruitgaat of niet kan beantwoorden aan onze verwachting van herstel? Is solidariteit er ook zonder die voorwaarde?
Daarom gingen aan het einde van het debat onze borden omhoog:
HOE VER DRAAG JE MEALS IK NIET IN HET SYSTEEM PAS?
Na afloop gaven we minister Vandenbroucke een van onze draagtassen, met daarin onder meer onze visietekst en ons pamflet, en nodigden we hem uit om het gesprek met ons verder te zetten.
Twee dagen congres leverden geen eenvoudige antwoorden op. Wel veel ontmoetingen, herkenning, discussie en nieuwe verbindingen.
En misschien is dat precies wat we willen blijven doen: plekken maken waar niet onmiddellijk opgelost hoeft te worden. Waar tijd mag bestaan. Waar iemand niet eerst moet veranderen om gedragen te worden.
Hoe ver draag je me?
Voor het secretariaat Dragend Zorgen,
Mieke, Faust en Eva



